Het Laareind

<- Terug naar menu geschiedenis Achterberg

Op de overgang van de stuwwal van de Laarsenberg en het rivierenlandschap van de Nude ligt al eeuwenlang de kleine buurtschap Laar, een langgerekte rij van verspreid liggende boerderijen tussen Achterberg en Heimerstein. In de volksmond wordt deze buurtschap meestal het Laareind genoemd, vanwege de ligging aan een van de uiteinden van de langgerekte Cuneraweg. De tegenhanger vormt het Veeneind bij Veenendaal, ruim 6 kilometer noordelijker. Al in een oorkonde uit het jaar 855 wordt gesproken over de villa Hlara, oftewel het dorp Laar. Het Oud-Nederlandse woord lare heeft volgens naamkundigen de betekenis van ‘bos met open plekken, halfopen bos, bosweide’.

Naamkundig en historisch onderzoek in Nederland en Duitsland heeft duidelijk gemaakt dat veel laar-namen verband houden met het weiden van vee in het bos. Ook blijkt uit verschillende voorbeelden dat dergelijke bosweiden door middel van hekwerken waren afgegrensd van hun omgeving. Klaarblijkelijk waren laren in de vroege middeleeuwen dus omheinde bosweiden op relatief laag gelegen, maar vruchtbare, grond. Binnen deze omheiningen kon het vee van het dorp vrij grazen. Wanneer er geen omheining was, kon het vee onder leiding van herders grazen in de bosrijke laagte. Het oorspronkelijk gesloten bos in deze laagten kreeg door langdurige begrazing met paarden, runderen en varkens geleidelijk aan steeds meer open plekken, vandaar ook de etymologische betekenis van ‘halfopen bos’.

Dit alles werpt ook een nieuw licht op het Rhenense Laar, gelegen op de overgang van stuwwal en rivierengebied. Hoogstwaarschijnlijk is de in 855 genoemde villa Hlara genoemd naar een bosweide die in het aangrenzende deel van de vallei lag, dat wil zeggen in het gebied dat tegenwoordig ongeveer begrensd wordt door de Cuneraweg, de Dijk en de Bisschop Davidsgrift. In bodemkundig opzicht bevinden we ons hier in de randzone van het rivierkleigebied van de Nude. Ter plekke van de vroegere bosweide lag namelijk oorspronkelijk een dunne laag komklei op het onderliggende dekzand, die later door bodembewerking is vermengd geraakt met dit zand (‘gebroken gronden’). Deze grond is stevig genoeg voor betreding met kuddes vee, in tegenstelling tot de meer venige gronden in het meer centrale deel van de vallei. Juist de verrijkende invloed van de rivierklei zorgde hier bovendien voor een zeer grazige bosvegetatie waar de bewoners van het middeleeuwse Laar dankbaar gebruik van hebben gemaakt. Geen wonder dat in deze kleine nederzetting al in de vroege middeleeuwen belangrijke bezittingen van de Frankische edelman Fokker en de Duitse abdijen van Deutz en Werden lagen.

(Bron: Spek, Theo, Utrechtse Heuvelrug en Gelderse Vallei, in: Bultje-van Dillen, L., e.a. (red.) (2008), Geschiedenis van Rhenen. Utrecht: Uitgeverij Matrijs)

 

Waar?